The imaginary perspectives of a sheet of paper
The playful ease with which Popel Coumou presents her spatial improvisations is ambiguous. On the one hand she draws us into a fragile paper world that first fascinated with its fairytale elegance but which has grown stronger and clearer in colour and cut over the years. It is as if she were to propose an alternative world whose purpose it was to playfully undermine our routine references. Simply by looking at what light does to photographic paper one can, in fact, surprisingly enough, briefly interrupt today’s continuous flow of photographic imagery. For a while, photography is lifted out of its well-worn rut and returned to a photographic zero point. But to what purpose? The answer will be a little different for each viewer, and for each work. Perhaps just to stimulate the individual imagination, and to free the eye for a moment?
But then there are the works themselves, whose material form is just as minimalistic as the illusions they create. Individual differences in expressiveness, intimacy, or monumentality do not effectively detract from what appears to be the underlying mission: the search for the most potent spatial harmony between paper cut-outs. In this regard Popel Coumou employs numerous strategies to allow a flat surface to prompt three or more dimensions.
In her recent work, the emphasis is on the dynamism of diagonally-cut forms. Spaces are created solely by fields of colour, or by coloured lines against a white background. The relationships have been given new dimensions. They evoke the suggestion of an interior as a landscape – or conversely, of a vista having open doors or windows. There is also work that consists solely of several layers of white paper, cut so as to create the illusion of lines in space. What pleases me most about this new work is that it makes space for paper assemblages pur sang. They bring paper and light even closer together, and grant us a glimpse beneath a surface that used to protect the work like a skin.
Popel Coumou’s work breaks ground but it also looks back. It links a logical, geometrically determined flat world with an intimate experience of space and place – such that the paper surface seems to unfold before our very eyes, to reveal either a magnificent space or a token of home, of security. And her work looks back in that it restores the close and historic affiliation between paper and light. When the first photographs on paper appeared, around 1850, they had a mesmerizing effect on many people. It is striking that these fragile, so-called ‘light drawings’ of the past still stir the imagination more strongly than a great deal of the photographic images that followed. The industrialization of paper and film is certainly one reason for this, just as mass production is invariably at the cost of tactile and material qualities, but more has been lost than this alone. In Popel Coumou’s idiom, the dominant properties of paper – including photographic paper – are transparency and space. She sweeps the narrative and documentary properties of the medium more or less aside, recognizing that it is not the image, but the sheet of paper which possesses materiality and dimension. By way of experiment, in the daily tussle with her material, she has shown that paper and light still share a special magic. She transforms flat paper forms into autonomous, pictorial constructions, with no recourse to figurative overlay, a ‘window on the world’, or a photographic narrative. It turns out that paper offers more than enough possibilities on its own. These are fragile constructions, certainly. But they bring us close to the everyday experience of being aware of a place, and to the ephemeral imaginative power that can saturate a personal space. More than architecture or theatre could ever do.
Els Barents, 12.06.2020
Translated from the Dutch by Ralph de Rijke
De vele dimensies van een vel papier
Het ogenschijnlijk speelse gemak waarmee Popel Coumou improviseert op het begrip ruimte, en haar variaties in vorm, kleur en licht de revue laat passeren heeft twee kanten. Enerzijds word je meegetrokken in een papieren wereld die sprookjesachtig begint, maar gaandeweg steeds krachtiger en stralender wordt van kleur en snit. Alsof het om een alternatieve wereld gaat die spelenderwijs onze geroutineerde referenties wil doorbreken. Gewoon door even te kijken naar wat licht met (foto)papier doet. Gek genoeg kan zo’n simpele ingreep de overstelpende massa aan dagelijks fotobeeld werkelijk voor een enkel ogenblik stilleggen. De fotografie wordt even uit zijn ingesleten groef getild, en van alsmaar meer vergezichten naar een foto nulpunt gebracht. Om ja wat? Het antwoord daarop zal voor iedereen (en voor ieder werk) een beetje anders zijn.
Misschien om de eigen, eenpersoons verbeeldingskracht aan te spreken, en het oog even vrij te maken?
Aan de andere kant is er het werk zelf, dat ook als materiele vorm net zo minimalistisch is als de illusie die het oproept. Onderlinge verschillen in expressiviteit, intimiteit, monumentaliteit, doen in feite niets af aan wat hier de rode draad lijkt te zijn: het zoeken naar de meest krachtige (ruimtelijke) balans tussen geknipte vormen op een vel papier. Zo bezien zijn de werken van Popel Coumou evenzovele strategieën om het platte vlak tot drie of meer dimensies te bewegen. Hoe? Naast de virtuositeit waarmee zij een simpel vel papier haar wil weet op te leggen, staat een opvallend kleurgebruik.
In het meest recente werk dat in het Kunstmuseum van Den Haag voor het eerst wordt getoond, ligt de nadruk op de dynamiek van diagonaal gesneden vormen. Er zijn nu ruimtes geheel uit kleurvlakken opgebouwd, of uit een belijning in kleur op een witte achtergrond. De verhoudingen hebben andere dimensies gekregen. Ze wekken de suggestie van een interieur als landschap, of andersom van een vergezicht met openstaande deuren of ramen. Er is ook werk dat alleen uit lagen wit papier bestaat, met een geknipte trapvorm die de functie van de lijn heeft overgenomen. Wat mij in dit nieuwe werk het meeste boeit is dat er nu ook ruimte wordt gemaakt voor papieren assemblages – pur sang. Dat brengt het papier en het licht nog dichter bij elkaar en gunt ons, letterlijk, een blik achter het oppervlak dat tot nu toe het werk als een huid afschermde.
Het werk van Popel Coumou kijkt vooruit, maar ook terug. Vooruit in dat het de logische, geometrisch bepaalde platte ruimte verbindt met de persoonlijke ervaring van een plaats, of plek. Zodanig dat het papieren oppervlak zich als het ware voor het oog openvouwt tot een magistrale ruimte, of een mentale vorm van geborgenheid. Het terugkijken gaat over het herstellen van de nauwe
verbondenheid tussen papier en licht. Toen rond 1850 de eerste foto’s op papier verschenen hadden die op velen een betoverende werking. Het is opvallend dat juist die fragiele ‘lichttekeningen’ van toen nog steeds sterker tot de verbeelding spreken dan een groot deel van de latere fotografie. De industrialisatie van papier en film is hier zeker debet aan, zoals massificatie altijd ten koste van tactiele en materiele kwaliteiten gaat. Maar er is meer verloren. In het idioom van Popel Coumou zijn transparantie en ruimte dominante eigenschappen van papier, ook van fotopapier. Daarmee schuift zij alle verhalende, en registrerende eigenschappen van het medium min of meer terzijde. Niet de afbeelding, maar het vel papier bezit materie en dimensie. Via de weg van het experiment, de dagelijkse krachtmeting met haar materiaal, laat zij zien dat de magische werking tussen papier en licht nog steeds bestaat. Platte, papieren vormen worden onder haar handen autonome, picturale constructies. Geen figuratieve huid, geen venster op de wereld, geen fotografisch narratief; papier heeft op zichzelf genoeg mogelijkheden. Het zijn fragiele constructies, dat wel. Maar ze brengen je dichter bij de dagelijkse ervaring van het ergens zijn, bij die efemere verbeeldingskracht die van een persoonlijke ruimte uit kan gaan. Meer dan dat architectuur en theater dat ooit zouden kunnen.
Tekst voor publicatie “Paper and Light” Geschreven door Els Barents